|
suggesties:
fietsen
wandelen
natuur
actief
cultuur
steden
ruraal
kloosters
bergen
|
|





 |
Geschiedenis
Roemenië
Geschiedenis.
Het hedendaagse Roemeense grondgebied werd in de eerste eeuw v.Chr. bewoond
door de Daciërs, een Indo-Europees Thracisch volk. Dit volk was een naaste
buur van de Romeinen die zich in de tweede eeuw n.Chr. bedreigd voelden door
de steeds machtiger Daciers, met name onder koning Decebal. Keizer Trajanus
had er twee veldtochten voor nodig om Decebal uit te schakelen en de Daciërs
te onderwerpen.
Hierna werd Roemenië overspoeld met kolonisten die zich vermengden met de
autochtone bevolking. Tegen het einde van de derde eeuw vertrokken de
Romeinen weer vanwege de steeds verder opdringende barbaren. Nadat de
Romeinen zich hadden teruggetrokken werd Roemenië bevolkt door
verschillende nomadische volken als de Hunnen en de Visigoten, en vanaf de
7e eeuw door Slaven die vanuit het noorden het Roemeense grondgebied
binnenvielen en zich vermengden met de Daco-Romeinen en de Magyaren die zich
in de 9e eeuw vestigden in de Pannonische vlakte. In de 11e eeuw maakten zij
het gebied ten noordwesten van de Karpaten tot een deel van het Hongaarse
koninkrijk. Dit gebied zou later Transsylvanië gaan heten. Halverwege de 14e
eeuw vormden zich de eerste Roemeense vorstendommen: Walachije (Roemeens:
Tara Româneasca) en Moldavie (Moldova). Ottomaanse overheersing Vanuit het
zuiden werden de jonge Roemeense staatjes aangevallen door een zeer machtige
vijand,
de Osmanen of Ottomanen (Turken) die in 1453 Constantinopel veroverden.
Constantinopel werd de hoofdstad van het Osmaanse Rijk en centrum van de
islam. Alleen door heel veel geld te betalen wisten de Roemenen te voorkomen
dat hun grondgebied bezet werd. Verder werd de soevereiniteit van de sultan
door de Roemeense vorsten geaccepteerd, waardoor ze hun eigen wetten,
sociale instellingen en politieke organen mochten behouden. Dit is de
belangrijkste reden dat er in Roemenië praktisch geen moskeeën te vinden
zijn. De economische druk op de Roemenen werd echter steeds groter, en het
was dan ook niet vreemd dat de Roemenen zich telkens weer van de Turken
probeerden te bevrijden. Dit lukte echter nauwelijks en duurde vaak maar een
korte periode. Zo wist Þtefan cel Mare in de 15e eeuw 48 jaar
over Moldavië te regeren en tientallen veldslagen van de Turken te winnen.
Mihai Viteazul was de
vorst van Walachije, en hij wist in 1600 de drie latere provincies van
Roemenië, Transsylvanië,
Walachije en Moldavië, onder zijn gezag te verenigen.
De Ottomanen bereikten het hoogtepunt van hun macht in de achttiende eeuw en
verder zaten de Roemenen klem tussen het Habsburgse en Russische Rijk. De
macht over Walachije en Moldavië werd nog eens bevestigd door de benoeming
van een aantal Grieken als heersers over de genoemde koninkrijken. Deze
Grieken waren afkomstig van de wijk Fanar of Fener in Istanboel en
heetten daarom Fanarioten. Deze Fanarioten regeerden vanaf 1711 in Moldavië
en vanaf 1716 in Walachije. Positief was de culturele bloeiperiode die door
de Griekse invloeden ontstond. Ook werd de lijfeigenschap halverwege de
achttiende eeuw afgeschaft en werden er belangrijke wettelijke
en bestuurlijke hervormingen doorgevoerd. In de loop van de achttiende eeuw
verminderde de invloed van de Osmanen, maar nam de Russische invloed weer
toe. In 1774 werd er een verdrag gesloten in Küçük Kaynarca, waardoor de
Russen beschermheer werden van de orthodoxe christenen in het Osmaanse rijk.
De Russen maakten van deze gelegenheid gebruik om het oostelijke deel van
Moldavië (Bessarabië), te annexeren. Ondertussen stond Transsylvanië onder
het bewind van de Habsburgers en werden de vele Roemenen gedomineerd door de
Hongaarse aristocratie en Duitse burgers. Rond 1700 gingen veel
Roemeens-orthodoxe geestelijken een unie aan met de katholieke Kerk van Rome
waardoor de Roemeense geestelijken dezelfde status hadden als de
rooms-katholieken. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond er een
beweging die streefde naar erkenning van de Roemenen als gelijkwaardige
bevolkingsgroep. Deze beweging werd geleid door bisschop
Inochentie Micu-Klein en stond bekend als de “ªcoala Ardeleanã” ofwel de
Transsylvanische School. Een petitie,
aangeboden in 1791 aan de Oostenrijke keizerin Maria Theresia, leverde
echter niets op.
Russisch-Turkse overheersing In 1821 startte vanuit Moldavië de Griekse
strijd voor de onafhankelijkheid van het Osmaanse Rijk. Hierdoor
geinspireerd begon de militair Tudor Vladimirescu aan een opstand tegen de
Griekse landsheren van de vorstendommen. Deze opstand leidde echter tot een
Russisch-Turkse bezetting van geheel Roemenië, maar had wel als resultaat
dat Walachije en Moldavië sinds 1821 weer werden bestuurd door inheemse
vorsten.
Door het Verdrag van Adrianopolis in 1829 werd de Russische invloed steeds
sterker en werden de Roemeense vorstendommen in feite Russische
protectoraten en was de rol van de Turken uitgespeeld. De bevelhebber van de
Russische troepen, Pavel Kiseleff, voerde begin jaren dertig van de 19e
eeuw het “Regulament Organic” in, een soort grondwet. De Roemeense bevolking
richtte zich in deze tijd steeds meer tot het westen en de revoluties die
zich in 1848 in Europa voordeden, hadden ook invloed op de Roemeense
vorstendommen. De leiders van de revolutie in Roemenië heetten “paºoptiºti”
(achtenveertigers), en wilden een liberale grondwet en vergaande sociale
hervormingen. De revolutie in Moldavië werd snel onderdrukt, maar in de
Walachijse hoofdstad Boekarest bleef gedurende enkele maanden een
revolutionaire regering aan de macht. Hierna werd Boekarest door een Turks
expeditieleger bezet en de rest van Walachije door de Russen werd bezet. In
Transsylvanië liep de revolutie uit op een etnisch conflict tussen
de Hongaren, die onder leiding van Lajos Kossuth een onafhankelijke
Hongaarse staat uitriepen, en de Roemeen Avram Iancu, die hier uiteraard fel
tegen was. Er ontstond een strijd tussen deze twee groepen waar alleen de
Oostenrijkse overheersers van profiteerden. In 1849 dolven de
revolutionairen het onderspit. Roemenië onafhankelijk De jaren daarna
stonden in het teken van de strijd om eenwording van Moldavië en
Walachije. Rusland verloor de Krim-oorlog en daardoor kwamen de Roemeense
vorstendommen onder bescherming van de westerse mogendheden. De bedoeling
was dat elk vorstendom een afzonderlijk land zou blijven en zo kon dienen
als bufferstaatjes tussen Oostenrijk, Turkije en Rusland. De Roemenen waren
hier echter fel op tegen en kozen in 1859 kolonel Alexandru Ioan Cuza tot
heerser van zowel Walachije als Moldavië. Hiermee werd de eenwording van de
vorstendommen onder de naam Roemenië een feit. Cuza was een groot
voorstander van sociale en politieke vernieuwingen maar kreeg nauwelijks
tijd om zijn ideeën te verwezenlijken. In 1866 werd hij afgezet door een
verbond van een groot aantal tegenstanders. Na Cuza kreeg Roemenië een
buitenlands staatshoofd: vorst Carol I van Hohenzollern- Sigmarinen, die tot
1914 zou regeren en positieve invloed zou hebben op de ontwikkeling
en modernisering van Roemenië. In 1866 werd er ook een nieuwe grondwet
aangenomen die tot 1923 van kracht zou blijven. Tijdens de Russisch-Turkse
oorlog van 1877-1878 verklaarde Roemenië zich volledig onafhankelijk van
Turkije en in 1881 erkenden ook de grote mogendheden de onafhankelijkheid
van Roemenië. Hierna werd Carol tot koning gekroond. Transsylvanie had
ondertussen zijn autonome status verloren door de vorming van de
Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie in 1867. Het officiële beleid in
Hongarije was dat alle inwoners van het gebied als Hongaren
beschouwd werden, dus ook de vele Roemenen die hier woonden. Ondanks deze
situatie sloot men een zogenaamde “Triple Alliantie” met Duitsland en
Oostenrijk-Hongarije, waardoor men hoopte tegenwicht te kunnen bieden tegen
de Russische expansiedrift. Dat de relatie met Oostenrijk- Hongarije niet
soepeltjes verliep mag duidelijk zijn. Het verbond werd dan ook angstvallig
verborgen gehouden voor de gewone pro-Franse bevolking. De politieke
verhoudingen zorgden in die periode voor een afwisseling van conservatieve
en liberale regeringen. Eerste en Tweede Wereldoorlog De periode tot 1914
was er een van grote stabiliteit en vooruitgang, ondanks de vaak grote
armoede waarin de boerenbevolking leefde. In 1907 brak er een grote
boerenopstand uit die vele duizenden boeren het leven kostte. In de Eerste
Balkanoorlog (1912-1913) bleef Roemenië neutraal, maar in de Tweede
Balkanoorlog sloot men zich aan bij de coalitie tegen Bulgarije. Roemenië
verwierf na de Vrede van Boekarest in 1913 een aantal Bulgaarse districten,
die echter bij het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 weer moesten
worden teruggegeven. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit en Roemenië
bleef aanvankelijk neutraal. In 1916 sloot men zich toch bij de geallieerden
aan, waarbij men hoopte op de hereniging met Transsylvanië. De hoofdstad
Boekarest werd door de Duitsers bezet, maar met behulp van Russische
eenheden kon voorkomen worden dat het hele land werd bezet. Na de revolutie
in hun land trokken de Russen zich terug uit de strijd, waarna Roemenië in
mei 1918 gedwongen werd vrede te sluiten met de zogenaamde
Asmogendheden Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Turkije. Toen de
geallieerden de strijd leken te gaan winnen sloot men zich echter weer aan
bij de geallieerden. Na de oorlog verwierf Roemenië een groot aantal
gebieden: Transsylvanië, de Banaat van Hongarije, Bucovina, en Bessarabië.
Het grondgebied verdubbelde en heette vanaf toen Groot-Roemenie.
De bevolking nam toe tot zestien miljoen personen die echter voor eenderde
uit niet-Roemenen bestond. In het Interbellum werd de macht afgewisseld
tussen de Liberale Partij en de Boerenpartij. De industrialisatie kwam goed
op gang waardoor industriële productie tussen 1923 en 1938 verdubbelde.
In 1923 werd er een nieuwe grondwet ingevoerd die vooral de belangen
beschermde van de
industriële en economische middenklasse. Verder vond er een grote
landbouwhervorming plaats
waardoor veel landbouwgrond overging van grootgrondbezitters naar kleine
boeren. In de jaren dertig had ook de Roemeense economie veel te lijden van
de wereldwijde economische crisis en ook de opkomst van dictatoriale regimes
elders in Europa liet zijn sporen in Roemenië na. Koning Carol II stelde in
1938 een koninklijke dictatuur in en verbood alle politieke partijen. Pas
ca. vijftig jaar later zou de parlementaire democratie in ere worden
hersteld. In de Tweede Wereldoorlog nam Roemenië aanvankelijk een neutrale
positie in maar werd na het pact tussen Hitler en Stalin en de nederlaag van
Frankrijk gedwongen grote delen van het land af te staan. Het noordoosten
van Transssylvanië kwam bij Hongarije en Bessarabië en Noord-Bucovina
werden de Sovjet-Unie ingelijfd. Als gevolg hiervan trad Carol II af en werd
opgevolgd door zijn zoon Mihai, terwijl de feitelijke regeringsmacht in
handen kwam van de militaire dictator Ion Antonescu. Hij schaarde zich aan
de kant van nazi-Duitsland en nam deel aan de oorlog met de Sovjet-Unie
om zodoende de verloren gebiedsdelen terug te veroveren. Dit mislukte
compleet en van het Roemeense leger bleef na de Slag om Stalingrad niet veel
over. Om bezetting door de legers van de Sovjet-Unie te voorkomen probeerde
de democratische oppositie tevergeefs vrede te sluiten met de
geallieerden. Op 23 augustus 1944 liet koning Mihai Antonescu arresteren en
sloot Roemenië zich aan bij de geallieerden. Na de oorlog werd Roemenië niet
tot mede-overwinnaar uitgeroepen en alleen Transsylvanië kwam weer bij
Roemenië. Bessarabië en Bucovina bleven Sovjet-grondgebied. Het hele land
was nu bezet door het Rode Leger en de communisten hadden de macht
overgenomen. Alle democratische partijen werden verboden en de partijleiders
belandden in de gevangenis. Op 30 december 1947 werd koning Mihai gedwongen
om af te treden en op diezelfde dag werd de Volksrepubliek Roemenië
uitgeroepen. Dictator Antonescu werd in 1948 geëxecuteerd door
de communistische machthebbers van dat moment.
Volksrepubliek Roemenië Door het communistische bewind raakte Roemenië
volkomen geïsoleerd van het Westen. Het totalitaire regime werd een kloon
van het Sovjet-model en in 1948 nam men een grondwet aan waarin alle macht
in handen viel van de communistische partij. Banken en industriële
ondernemingen werden genationaliseerd en alle particuliere initiatief werd
afgewezen, ook op religieus en cultureel gebied.
De nadruk werd gelegd op de ontwikkeling van de (zware) industrie en dat
maakte Roemenië op een gegeven moment tot een van de grootste
staalproducenten ter wereld. Dat daarvoor kolen en ijzererts moesten worden
ingevoerd, werd als volstrekt normaal ervaren. De landbouwgrond werd
onder dwang onteigend en gecollectiviseerd. Eind jaren veertig en in de
jaren vijftig raakte Roemenië definitief verstrikt in het
Sovjet-web. Honderdduizenden democraten werden gevangengezet of in
werkkampen opgeborgen. En verzet daartegen werd met harde hand door de
Securitate, de geheime dienst, de kop in gedrukt. De bevolking bleef al die
tijd pro-westers gezind maar anti-communistische partizanen moesten hun
strijd begin jaren zestig opgeven. De eerste naoorlogse leiders waren lid
van de zogenaamde Moskougroep: communisten, vaak niet eens etnische
Roemenen, die lang in de Sovjet-Unie hadden gewoond en pas terugkeerden na
de communistische machtsgreep. Pas in 1952 kwamen de autochtone communisten
aan de macht en werd de Moskou-groep op een zijspoor gezet door de
partijleider Gheorghe Gheoghiu-Dej. In de jaren zestig brak er een periode
van ontspanning aan. De levensstandaard ging wat omhoog, er kwamen meer
consumptiegoederen op de markt, en op cultureel gebied was er zelfs contact
mogelijk met het Westen. Op politiek gebied was er echter nog geen sprake
van echte liberalisering, hoewel niet alle Sovjet-modellen meer
werden nagestreefd. Ook ontstond weer een gespannen situatie tussen
Gheorghiu-Dej en de Sovjetpartijleider Chroesjtjsov.
De Sovjets wilden dat Roemenië zich meer geen toeleggen op het produceren
van landbouwproducten en grondstoffen aan de andere leden van het Oostblok.
Gheorghiu-Dej weigerde dit plan door te voeren en nam zelfs afstand van de
Sovjet-Unie. Hierna verlieten het Sovjetleger Roemenië en in 1964 nam de
Roemeense communistische partij een officiële verklaring van
onafhankelijkheid aan ten opzichte van de Sovjet-Unie. Periode Ceauþescu:
het Duivelsrijk In 1965 overleed partijleider Gheorghiu-Dej en hij werd
opgevolgd door Nicolae Ceauþescu. Eveneens in 1965 werd een nieuwe grondwet
aangenomen waarin Roemenië werd uitgeroepen tot een socialistische
republiek. Ceauþescu’s beleid was om steeds zelfstandiger van de Sovjet-Unie
te opereren; zo weigerde hij om troepen beschikbaar te stellen die in
augustus 1968 een einde moesten maken aan de “Praagse lente”. Hierdoor werd
hij populair bij de westerse mogendheden en ook de relatie met de
Sovjet-Unie had nauwelijks te lijden van het beleid van Ceauþescu. Men had
goed door dat de communistische partij de machtigste zou blijven en dat
Roemenië altijd lid van het Warschaupact zou blijven.
De periode van relatieve politieke dooi veranderde vanaf 1971 compleet na de
bekendmaking van de zogenaamde “juli-thesen” van Ceausescu. Hierin werd een
terugkeer naar de orthodoxcommunistische ideologie geeist en werd de functie
“president voor het leven” in het leven geroepen. Ceaucescu liet zich hierna
inderdaad tot president benoemen en in de jaren zeventig en tachtig kwam de
Roemeense samenleving steeds meer onder de wurgende greep van de partij te
staan en verstevigde Ceaucescu zijn greep op de partij. Hij kreeg zijn
adviezen nog maar van een klein aantal getrouwen en steeds meer van zijn
eigen familie.
Economisch ging de meeste aandacht uit naar de zware industrie en er werd
veel geld gestoken in gigantisch dure projecten die niet ten goede kwamen
aan het volk maar voornamelijk ter meerdere eer en glorie van hemzelf
gerealiseerd werden. Ook besloot hij om de grote buitenlandse
schuld versneld af te lossen. Alle invoer werd gestopt en alles werd gezet
op de export van allerlei producten. Hierdoor stortte de economie totaal in
en brak een donkere periode aan voor de Roemeense bevolking, een periode die
ook wel bekend stond onder de drie f’s: Fricã, foame, frig – angst,
honger, kou. Ondertussen werden er in de Sovjet-Unie onder Michail
Gorbatsjov aanzienlijke hervormingen doorgevoerd die echter vooralsnog geen
effect hadden in Roemenië. In de meeste andere socialistische landen kwam er
een einde aan de alleenheerschappij van de communistische partijen, maar nog
in november 1989 liet Ceaucescu zich weer tot partijleider kiezen. Het was
echter duidelijk dat het nog maar een kwestie van tijd zou zijn dat de hele
bevolking in opstand zou komen tegen de gehate dictator. Op 15 december 1989
probeerde de geheime dienst van Roemenië, de Securitate, de
gereformeerde etnisch-Hongaarse dominee László Tókës onder dwang over te
plaatsen van zijn woonplaats Timiºoara
naar een provinciedorp. Hij werd echter beschermd door zijn parochianen en
deze gebeurtenis
groeide uit tot een rel die weer uitliep op een massale anti-communistische
volksopstand in Timiºoara. Het leger en de veiligheidsdienst probeerden de
opstand neer te slaan wat honderden mensen het leven kostte. Op 21 december
sloeg de opstand over naar Boekarest en naar andere steden in Roemenië.
Ceausescu en zijn vrouw probeerden het land te ontvluchten, maar werden door
het leger, dat de zijde van het volk had gekozen, aangehouden en na een
‘proces’ ter dood veroordeeld en op 25 dec. geëxecuteerd. Men denkt ook dat
er tegelijkertijd een samenzwering in het paleis van de dictator
heeft plaatsgevonden waar revolutionairen, partijbazen en dissidenten in
verenigd waren (Front voor Nationale redding = FSN). Doordat snelle
politieke hervormingen uitbleven, verlieten de dissidenten de FSN al snel en
bleef het een partij van ex-commmunisten onder leiding van Ion Iliescu. In
de eerste tijd na de revolutie was er veel sociale onrust. Zo verweet de
democratische oppositie het FSN alle macht naar zich te hebben toegetrokken
en daarop volgden verschillende demonstraties.
In Târgu Mureº, een stad met veel Roemenen en Hongaren vonden in maart 1990
ernstige etnische rellen plaats waarbij ook doden vielen. Studenten
demonstreerden tegen de deelname van de communisten aan de verkiezingen. Op
20 mei 1990 werden de eerste vrije verkiezingen gemakkelijk gewonnen door de
FSN onder leiding van Ion Iliescu, die daarna met een overweldigende
meerderheid tot president gekozen werd. De studenten in Boekarest legden
zich echter niet zomaar neer bij de overwinning van de FSN en demonstreerden
gewoon verder. Het lukte de politie niet om het Universiteitsplein te
ontzetten en Iliescu riep daarop de hulp van mijnwerkers uit het dal van de
rivier de Jiu in. Deze grepen zeer hard in ten koste van zes doden en
honderden gewonden, waardoor Roemenië in het buitenland een slecht imago
kreeg. Op 8 december 1991 werd er een referendum onder de bevolking gehouden
waarin de nieuwe grondwet werd goedgekeurd. Toch waren er nog volop
problemen om op te lossen. Zo bleven in Transsylvanië de etnische
tegenstellingen het beeld beheersen en de economische problemen in Roemenië
werden steeds groter, o.a. doordat de handel met de andere voormalige
Oostbloklanden grotendeels was weggevallen. Ook waren er problemen ontstaan
tussen president Iliescu en premier Petre Roman over het tempo van de
hervormingen.
Dit leidde in 1992 tot een splitsing binnen het FSN. De Iliescu-aanhangers
vormden het Democratisch Front van Nationale Redding 9FDSN), later de Partij
van de Sociale Democratie in Roemenie (PDSR). De verkiezingen in 1992 werden
gewonnen door de PDSR van Iliescu en hij werd voor de tweede keer tot
president gekozen. De kandidaat van de verzamelde oppositiepartijen,
Democratische Conventie van Roemenië (CDR), Emil Constantinescu, viste nu
achter het net maar versloeg Iliescu wel in de verkiezingen van 1996. De CDR
werd de grootste partij en vakbondsleider Victor Ciorbea werd premier. Het
volk had hier lang op gewacht, een overwinning van de democratische
oppositie op de ex-communisten en hun nationalistische bondgenoten. Op 15
september 1996 werd er een verdrag tussen Roemenië en Hongarije gesloten
waardoor er een betere verstandhouding ontstond tussen Hongarije en
Roemenië en tussen de Hongaarse en Roemeense bevolkingsgroepen. De
economische problemen bleven echter voortduren onder het bewind van premier
Ciorbea. Hij werd dan ook al gauw vervangen door Radu Vasile die het echter
ook niet lang volhield en opgevolgd werd door de partijloze Mugur Isrescu,
de gouverneur van de Roemeense Nationale Bank. 21e eeuw Veel Roemeense
keizers wezen president Constantinescu aan als schuldige voor de
economische ontwikkeling, maar het was toch een verrassing dat hij zich in
het voorjaar van 2000 niet beschikbaar stelde voor een tweede termijn als
president van Roemenië. In de opiniepeilingen had hij echter al een grote
achterstand op zijn aloude rivaal Ion Iliescu. Vanaf 1989 was het voor de
Roemenen duidelijk dat ze lid wilden worden van zowel de Europese Unie als
de NAVO. In 1995 werd het streven om lid te worden van de EU vastgelegd in
de “Verklaring van Snagov”, die ondertekend werd door alle politieke
partijen. In december 1999 volgden de eerste officiële onderhandelingen met
de EU en Roemenië stelde zich ten doel om op 1 januari 2007 lid te zijn van
de EU.
Wat de NAVO betreft was Roemenië in 1994 het eerste land dat de zogenaamde
Partnership for Peace tekende onder groot enthousiasme van de bevolking.
Roemenië verwachtte dan ook tijdens een top in Madrid in 1997 een
uitnodiging om NAVO-lid te worden. Dit gebeurde echter niet en dat was
een zware teleurstelling voor de Roemenen, te meer daar Hongarije, Polen en
Tsjechië wel ter zijner tijd mogen toetreden. De parlements- en
presidentsverkiezingen van 26 november 2000 leverden een grote nederlaag
op voor de zittende regering van Iliescu. De samenwerkende partijen onder de
naam CDR 2000 haalden niet eens de kiesdrempel waardoor de regerende
christen-democratische partij niet meer terug kwam in het parlement. De
PDSR, de grootste oppositiepartij, behaalde 40% van de stemmen en vormde een
minderheidsregering onder leiding van Adrian Nãstase. Tweede partij werd de
extreemrechtse partij Groot-Roemenië (PRM). De andere partijen die de
kiesdrempel haalden waren de sociaaldemocratische PD, de partij van etnische
Hongaren UDMR, en de liberale PNL. In de strijd om het presidentschap ging
het tussen de zittende president Iliescu en de extreem-rechtse Corneliu
Vadim Tudor. Pas na een noodzakelijke tweede ronde op 10 december 2000 wist
Iliescu een ruime meerderheid te scoren (65%). De kiezers hadden wel sterk
het idee dat ze tussen twee kwaden moesten kiezen, maar het gevaar om
internationaal geisoleerd te raken zorgde ervoor dat Tudor de verkiezingen
niet kon winnen. Te hopen voor Iliescu valt dat de economische toestand van
Roemenië onder zijn bewind behoorlijk zal verbeteren. President Iliescu
benoemd in januari 2001 Adrian Nastase
tot premier, die een minderheidsregering vormd met de gedoogsteun van de
centrum-rechtse
partijen. In mei 2001 werd koning Mihai ontvangen door Iliescu en hij woont
thans weer in Roemenië.
|





 |